Doorstrijken van metselwerk

Doorstrijken is een techniek, waarbij de metselaar de lint- en stootvoegen vrijwel direct na het metselen afwerkt. De stenen worden vol en zat gemetseld, waarna de baarden worden geschoren. Wanneer het metselwerk enigszins is aangetrokken, krabt de metselaar de voegen met een speciale voegroller (easypointer) of met een voegspijker enige millimeters uit en drukt vervolgens met hetzelfde gereedschap de voegen aan tot een ogenschijnlijk dicht oppervlak.

Het grote voordeel van deze techniek is dat dit homogene, duurzame voegen oplevert, die er ook nog goed uitzien. Daarnaast wint men tijd; het doorstrijken duurt wel wat langer, maar voegen wordt overbodig.

Met doorstrijken is niet elke voegafwerking mogelijk. Doorgestreken voegen hebben een minimale diepte van 3 tot 4 mm. Platvol geborstelde voegen, gekamde voegen, snijwerk en knipwerk zijn niet mogelijk met doorstrijken. Of de doorstrijktechniek uitvoerbaar is, hangt af van de eisen die een architect stelt aan het voegwerk.

Ga terug

Voor het doorstrijken zijn vakmensen nodig. Mensen met betrokkenheid en gevoel voor hun vak. De medewerkers bij BRB zijn thuis in het doorstrijken.

Uitkrabben van metselwerk

Uitgekrabde voegen is een andere tendens in metselend Nederland. Het verschil met doorstrijken is, dat de metselmortel niet wordt verdicht met een pointmaster of een voegspijker. De gevel krijgt daardoor een wat ruwer aanzien. De voegen worden 3 tot 5 mm uitgekrabd en daarna afgeborsteld. Deze vorm van uitkrabben kan alleen als er is gemetseld met een doorstrijkmortel. Uitkrabben is alleen mogelijk bij een vormbaksteen. Een strengperssteen is te strak voor de ‘ruwe’ voeg.